Het verhaal van Janneke

<-terug

 

Het verhaal van Janneke

Ik herinner me dat ik als peuter al werd overstroomd door emoties van anderen. Met name van die van mijn vader en mijn moeder en mijn broertje. Vooral van onderhuids liggende negatieve emoties had ik veel last. Als je jong bent, heb je nog niet de woordenschat en de ervaring om de signalen die je oppikt te plaatsen.

Als ik iemand tegenover me had, kon ik haarfijn aanvoelen hoe die persoon was, en welke emoties er bij hem of haar speelden. Alleen kon ik dat gevoel niet omschrijven, het bleef bij waarnemen. Het maakte dat ik bang en verlegen werd.

Al vanaf mijn eerste herinneringen zat ik niet in mijn eigen lichaam, maar was ik een toeschouwer van mijn eigen leven. Ik denk dat dat een overlevingsmechanisme is geweest. Ik nam als kind afstand van mezelf, omdat dat wat vanuit de omgeving bij mij naar binnen kwam, me zo overweldigde. Al die emoties sloegen me lam.

Ik kon geen kind zijn. Ik kon niet spontaan reageren op andere kinderen. Ik kon niet goed spelen. Daarom zocht ik de eenzaamheid op. Thuis zat ik uren in een hoekje te lezen of te tekenen.

Ik was een ideaal kind, want ik pikte precies op wat er van mij verwacht werd. En omdat ik bang was voor negatieve emoties zoals boosheid, afkeuring en afwijzing, was ik beleefd, netjes en vriendelijk.

Op school deed ik het perfect. Mijn schriften waren netjes. Mijn huiswerk vergat ik nooit. Alleen wist ik me niet goed te bewegen tussen mijn klasgenootjes. Ik bleef toeschouwer, ik bleef vanaf een afstand naar mezelf kijken, ik bleef me een buitenbeentje voelen. Omdat ik anders was dan de anderen werd ik een doelwit voor pestkoppen. Dat bevestigde mijn gevoel dat ik er niet bijhoorde.

Toen ik 11 jaar oud was, werd bij mijn broertje jeugdreuma ontdekt. Gedurende ruim 6 jaar moest hij verpleegd worden in een speciale kliniek. Mijn ouders hadden toen net een eigen zaak gestart. Daardoor kwam ik na school in een leeg huis. Ik begon mijn gevoel weg te eten. Mijn ouders hadden voortdurend spanningen. Mijn vader ging steeds meer drinken. Twee maal in de week ging hij naar nachtclubs en bordelen. Hij maakte grote schulden.

Mijn ouders mishandelden elkaar lichamelijk en seksueel waar ik bij was. Mijn moeder vluchtte ook in drank en in medicijnen, en werd suïcidaal. Al die jaren voelde ik de pijn en onmacht van mijn ouders en probeerde ik steeds te zorgen dat het tussen hen weer goed kwam. Ik ruimde de puinhoop in huis op en bezocht in hun plaats mijn broertje in de kliniek.

Ik ben katholiek opgevoed. Omdat ik zo gevoelig was, maakte alles wat met religie te maken heeft een diepe indruk op mij. Ik was heel schuldbewust. Net zoals ik mijn ouders wilde behagen, wilde ik ook God behagen. Omdat mijn eigen vader in die rol afwezig was, werd God werd voor mij een fantasievader, zoals andere kinderen een fantasievriendje kunnen hebben op die leeftijd. Mijn beleving in God als een vader gaf me de houvast die ik nodig had, maar bracht later, toen mijn geloof serieuzer werd, ook veel angst in mijn leven.

Mijn tweede houvast was, dat ik goed kon leren. Ik studeerde hard. Na het gymnasium volgde ik een HBO-opleiding en wist ik een fantastische baan te krijgen. In die tijd had ik altijd wel een hartsvriendin, waarmee ik kletste over jongens en muziek. Maar ik liet nooit iemand echt dichtbij komen. Dat kon niet, omdat ik de situatie thuis geheim wilde houden. Ik trilde continu mee op wat de mensen om mij heen voelden en ondergingen. Daardoor maakte ik geen emotionele ontwikkeling door, ontwikkelde ik geen eigen ik, geen eigen behoeften en verlangens. In mij was een enorme leegte, die zich vulde met heel veel verdriet en eenzaamheid.

Op die leeftijd begreep ik niet waarom ik zoveel moeite met sociale contacten bleef houden. Ik hield van mensen. Ik was sociaal, geïnteresseerd en nieuwsgierig. Ik wilde uitgaan en plezier hebben. Maar ik hoefde maar een kwartier in gezelschap van anderen te zijn om me ontzettend ziek en moe te voelen. Ik wilde genieten van het leven en kon het niet.

Toen ik op maatschappelijk gebied bereikt had wat ik wilde bereiken, en de druk om mezelf te bewijzen wegviel, klapte ik in elkaar. Ik kon niet meer verder. Het leek aan de buitenkant op een burn-out. Jarenlang had ik op de toppen van mijn kunnen geleefd en het uiterste van mezelf gevergd. Er zat echter veel meer achter. Ik had de eindstreep gehaald, en wist niet waar ik me nu op moest richten. Ik wist niet hoe ik inhoud moest geven aan mijn leven. Ik was een leeg lichaam, en dat lichaam haatte ik ook nog eens. Ik probeerde de leegte in mezelf met eten en alcohol te vullen en met kortstondige relaties. Ik snakte naar liefde en een relatie. Het lukte me niet om een echt contact met iemand op te bouwen. Want zodra zich iemand tot mij wendde en interesse voor mij had, liep ik heel hard weg. Ik kon niet goed omgaan met andermans belangstelling voor mijn persoontje. Ik kon niet in mezelf keren, omdat daar ondertussen zoveel verdriet en eenzaamheid verzameld was. Op mijn manier kon ik heel veel van iemand houden, maar ik gaf niks, al dacht ik toen van wel. Ik had niets te geven. Dat wat ik uitzond was de kreet: hou van mij. Ik vroeg heel veel van een ander. Je krijgt echter wat jezelf uitstraalt. Wat ik kreeg waren dus vluchtige relaties en oppervlakkige one-night-stands. Ik begreep niet waarom anderen wel verkering kregen en gingen trouwen en een gezinnetje stichtten en waarom mij dat niet overkwam. Een verkrachting maakte een einde aan mijn onbeholpen gedrag om liefde te krijgen. Deze ervaring maakte dat ik me nog verdrietiger, nog eenzamer voelde. Dat had ook een positieve kant. De pijn die daardoor ontstond, zette me aan om te blijven zoeken naar mezelf. Want ik wilde léven.

Ik was éénentwintig toen mijn ouders uit elkaar gingen. Mijn vader ging in therapie om greep te krijgen op zijn rol in het gebeuren. Hij vertelde mij daarover. Het was net alsof ik in een spiegel keek. Ik herkende het onvermogen van mijn vader om zijn emoties te hanteren en om een 'normaal' leven te leiden. Ik besefte dat hij in die gemeenschap was om dat te leren en dat zette mij aan om ook hulp te zoeken. Ik liet me vrijwillig opnemen in de psychiatrie. Aan de eerste opname had ik niet veel. Vanuit een leven met heel weinig structuur, kwam ik terecht in een leven met heel veel structuur. Dat kon ik niet aan. Via het RIAGG werd ik doorverwezen naar een deeltijdopname, waar de regels minder streng waren. Je sliep intern, maar een deel van de dag besteedde je buiten de kliniek aan werk of vrijwilligerswerk. Er waren regelmatige groeps- en individuele gesprekken. Een diagnose kreeg ik niet te horen. Op een formulier van de WAO stond dat ik een persoonlijkheidsstoornis had. Er stond niet bij welke. Met de eerste behandelaar lukte het niet zo goed. Zoals gebruikelijk was in die tijd, leunde hij achterover in zijn stoel en liet hij mij vertellen. Hoe kun je nu over jezelf vertellen als je geen ik hebt? Ik had niks te melden. Ik had een enorm scala aan gevoelens, een brei van emoties in mezelf, maar ik kon ze niet verwoorden.

Ik heb altijd anderen proberen te behagen. Daar kwam bij dat ik ouderwets ben opgevoed. Ik moest doen, wat ervan mij verlangd werd. Er werd mij nooit gevraagd wat ik wilde eten of drinken of welke kleren ik wilde aantrekken. Ik moest naar bed als mijn moeder vond dat het daar tijd voor was, niet als ik moe was. Ik deed braaf wat van me verlangd werd, omdat ik bang was voor afkeuring. Ik leerde daardoor niet om me af te vragen wat ik wilde en wat ik voelde. Een minder gevoelig kind zou zich verzet hebben. Ik deed dat niet.

Van mijn 22ste tot mijn 26ste ben ik drie keer opgenomen geweest in de psychiatrie. De therapie ging beter toen ik een behandelaar kreeg die mij leidde. Ze leerde mij te verwoorden wat ik voelde en wat ik thuis had meegemaakt, en wat voor uitwerking dat op mij had gehad. Toen ik eenmaal leerde praten over dat wat er in mij omging, kreeg ik van twee behandelaars voor wie ik veel respect had, te horen dat ik zo`n zuiver gevoel had. Die woorden bewaarde ik in mijn hart. Het compliment verzachtte het negatieve zelfbeeld dat ik had. Het gaf me moed. Er deugde toch iets aan mij. Verder deed het niet veel, behalve dat ik me er een beetje mooier door voelde. Ik koppelde het aan een bepaalde oprechtheid en mijn streven om altijd het goede te willen voor iedereen. Deze hulpverleners wisten mij nabij te komen, ondanks mijn moeilijkheden om mijzelf te laten zien.

In de jaren in de psychiatrie oefende ik mij in sociale vaardigheden. Andere mensen leren dat vanzelf als ze jong zijn. Ik begreep niet, waarom dat bij mij niet het geval was geweest. Net zo min als ik begeep waarom ik zo snel moe werd. Als ik ´s ochtends opstond voelde ik me goed, om twee uur later als een pudding in elkaar te zakken als ik alleen maar op een boodschap uit was geweest. Ik dacht dat ik gewoon knettergek was, maar niemand noemde mij zo. Heel eventjes dacht ik zelf aan borderline, maar die diagnose kon niet kloppen, omdat ik met mijn verstand toch altijd de baas bleef over mijn gevoel. Ik kon emotioneel helemaal van slag en uitgeput zijn, maar ik bleef wel aanspreekbaar. Ik bleef wel helder denken.

Ik ben langer in de psychiatrie gebleven als ik wilde. Op een gegeven moment voelde ik dat ik bleef steken en er niets meer bij leerde. Maar men wilde mij niet laten gaan. Toen ik ontslag nam en weer op mezelf woonde, nam ik een baan aan in het buitenland. Ik wilde een nieuwe start maken. Echter binnen 2 maanden was ik totaal opgebrand. Ik werd opnieuw opgenomen. Maar ik voelde me in deze therapie zo onbegrepen dat ik niet meer kon eten. Omdat ik zo mager geworden was, moest ik daar weg. Ik meldde me weer aan bij de RIAGG, maar zij wilden mij niet helpen. Ze vonden dat ik me opnieuw moest laten opnemen. Toen zocht ik contact met het CAD. Daar had ik veel aan. Ik leerde om structuur aan te brengen in mijn dagen. Ik dwong mijzelf tot een ritme wat betreft sociale contacten, vrijwilligerswerk en hobbies, waarin ik mijn eetbuien en alcoholgebruik integreerde en daardoor ook matigde.

Ik nam een jong hondje. Dat beestje gaf mij een reden om uit bed te komen en ik kon mijn liefde aan haar kwijt. Maar ook mijn emoties. Haar opvoeding en verzorging gaf me iets om handen. Zij vulde een stukje van mijn eenzaamheid op. Ondanks dat ik het nog steeds heel zwaar had, had ik toch het gevoel dat ik eindelijk een beetje begon te leven. Maar ook daar bleef ik na een tijdje steken.

Dertig jaar oud was ik, toen ik voor het eerst bij een paranormaal therapeute kwam. Gedurende 3 jaar gaf zij mij maandelijks een healing. Deze healing laadde me iedere keer dat ik bij haar was, een beetje op en ik kwam meer en meer in mijn eigen lichaam te zitten. Ze gaf mij ook Bachbloesems, granulaten en kruiden. Maar dat waren voor mij druppeltjes op de gloeiende plaat. Het was niet meer dan een kleine ondersteuning, naast de gesprekken met deze therapeute, die mij meer inzicht in mezelf gaven.

Het grote, belangrijke effect van deze lange periode van healings was, dat ik mezelf begon te voelen. Ik kwam oog in oog te staan met mijn enorme verdriet, mijn agressie en mijn pijn. Ik kon het niet meer dempen met eten en alcohol. Het kwam er allemaal uit. Ik volgde regressietherapie en maakte healings van Jomanda mee.

De therapeute was langdurig ziek geworden en kon mij niet langer begeleiden en zij verwees mij door naar iemand anders, een Ayurvedisch massagetherapeute.

Deze vrouw was de eerste die benoemde wat ik had. Ik was heldervoelend. “Dat wat jij meemaakt en dat wat jij allemaal voelt. Dat is niet allemaal van jou“, zei ze. Die dag ging er een wereld voor me open. Het klopte precies wat ze zei. Daarom kon ik die emoties waardoor ik bestormd werd niet plaatsen en had ik er geen controle op. Ik moest leren onderscheiden welke gevoelens van mijzelf kwamen, en welke van anderen. Zij vertelde dat ik de emoties van anderen met mijn verstand kon wegsturen. En dat werkte.

Maar het kon bij mij pas gaan werken, nadat ik inzicht had gekregen in wat er met mij gebeurde. Eerst was alles wat ik voelde één grote, grijze massa. Steeds beter leerde ik te onderscheiden wat van mij kwam en wat van anderen was. Juist omdat ik geen ik had, zoog ik alles van anderen naar binnen. Hoe meer ik je leert te ontwikkelen, hoe weerbaarder je wordt. Ik ben nu sterker geworden doordat ik meer gericht ben op mijn eigen behoeften en verlangens. Ik sta ietsje minder open voor wat van anderen op me afkomt. Op een goed moment merkte ik dat dàt met mij gebeurd was.

Tot 7 jaar daarna heb ik allerlei ervaringen op paranormaal gebied opgedaan. Ik heb aan vele spirituele workshops en healings deelgenomen. Op den duur knapte ik af, op wat ik daar allemaal zag gebeuren. Er zit veel kaf onder het koren. Er wordt veel misbruik gemaakt van de naïveteit van mensen. Ik zag dat het zich intensief bezig houden met spiritualiteit bij veel mensen de bodem onder hun voeten wegsloeg. Dat past niet bij mij. Ik wil niet weglopen voor de aardse dingen. Ik wil proberen het hier op aarde leuk te hebben. Ik zie wel wat er daarnà komt, als het zover is.

Ik leerde mijn man Sjef kennen, toen ik al een heel eind op weg was bij de zoektocht naar mezelf. Mijn man heeft een uitgesproken sterke persoonlijkheid. Hij weet heel goed wat hij wil. Zo goed dat een ander er vaak niet goed van wordt. Hij doet alles voor je, maar je moet het wel vragen. Doe je dat niet, dan loopt hij over je heen. Als ik niet aangeef dat ik naar een mooie film wil kijken in plaats van naar sport, staat de hele avond het scherm op groen. Doordat Sjef zo vanuit zichzelf leefde en voorbij ging aan mijn verlangens, deed hij mij pijn. In het begin van onze relatie cijferde ik mezelf nog weg, maar op den duur kon ik dat niet meer opbrengen. Ik vond dat ik ook recht op een beetje ruimte voor mezelf had. Ik begon `nee` te zeggen, als ik iets niet wilde. Zo leerde ik vragen om wat ik wilde. Eerst ging dat heel onhandig en werd ik emotioneel. Ondanks mijn onzekerheid kon ik al snel niet anders meer dan voet bij stuk te houden. Dat was ook absoluut nodig met zo’n sterke man.

Soms tuin ik er nog in. Dan beloof ik Sjef dat ik een boodschap voor hem zal doen, terwijl ik die middag eigenlijk gereserveerd had om iets voor mezelf te doen. Dan corrigeer ik de belofte die ik gedaan heb, ook al betekent dat dat Sjef boos op me zal zijn en er een negatieve sfeer in huis komt. Ik kan er niet tegen als iemand boos op me is, dus werk ik er hard aan om de harmonie weer te herstellen, maar wel zonder mezelf daarbij uit het oog te verliezen. Want ik moet en zal niet tekort komen.

Omdat ik zolang mezelf ben kwijtgeweest, is het moeilijk voor me om vanuit een spontaan gevoel mezelf weg te geven. Als Sjef me vraagt of ik iets voor hem wil doen, kijk ik eerst of dat past in mijn schema voor die dag. Als het mijn programma in de war gooit, dan wil ik eerst weten waarom hij het zelf niet doet. Is het omdat hij daar zelf geen tijd voor heeft, dan doe ik het graag voor hem. Ik hou heel veel van mijn man. Ik wil hem graag gelukkig zien. Maar ik pas ervoor op om daarbij aan mezelf voorbij te gaan. Ik vermoed dat ik daar soepeler in zal worden, als ik genoeg aan mezelf ben toegekomen.

Ik heb dat ook naar anderen. Ik kan mezelf niet zomaar meer weggeven. Als mijn vriendin opmerkt dat het zo jammer is dat ze geen auto heeft, dan sta ik niet meer meteen klaar om met haar naar het winkelcentrum te rijden, al doet het me pijn om haar teleur te stellen. Ook de angst voor afkeuring en afwijzing zit er nog steeds. Maar liever die pijn dan mezelf weer weg te cijferen. Ze kan ook de bus nemen. Ze heeft tijd genoeg. Ze moet me eerst overtuigen. Als ze bijvoorbeeld bezoek krijgt en veel boodschappen in huis moet halen, dan help ik haar graag. Als ik iets doe voor iemand, moet daar als het ware een soort liefde instromen. Het moet opwegen tegen wat ik van mezelf weggeef. Het lijkt of ik een weegschaaltje in mijn hoofd en hart heb. Als iemand me om iets vraagt, waarvoor ik een stukje van mezelf weg moet geven in de vorm van tijd of energie, moet ik eerst weten wat het voor de ander betekent. Ik wil dat mensen om me heen blij en gelukkig zijn, maar ik moet ook zelf aan mijn trekken kunnen komen.

Ik heb veel geleerd van Sjef zijn egoïsme. Hij doet mij voor, hoe ik voor mezelf moet kiezen. Als hij nee tegen mij zegt, mag ik toch ook nee tegen hem zeggen? Ik blijf toch ook niet boos op hem? Ik heb ontdekt dat ik door me bewust op iets te richten, bijvoorbeeld in de tekenles op het tèkenen en niet op de mensen om me heen, dat mijn waarneming verandert en niet alles meer binnenkomt wat er om me heen gebeurd. Door die focus kan ik kan me een beetje afschermen. Daar wil ik handiger in worden. Maar dat trucje is moeilijker toe te passen als je bijvoorbeeld een vriendin op bezoek hebt. Dat betekent, naar elkaar luisteren, elkaar dingen vertellen, je focussen op die ander. Dat blijft heel overweldigend voor mij. Ik voel mij er verantwoordelijk voor, dat de ander het naar zijn zin heeft. Dat kost veel van mijn krachten. Vandaar dat ik probeer om bezoekjes tot een uur te beperken. Zowel als mensen bij mij komen als wanneer ik zelf ergens heen ga. Al blijft het lastig om tegen mensen te zeggen: “Ik ben moe zou je willen gaan.“ Dat kan niet altijd. Bij een etentje ga ik ontzettend over mijn grenzen en heb ik veel tijd nodig om te herstellen. Ik slaap daarna de hele nacht niet, want mijn belevingen gaan langdurig rond in mijn hoofd en gevoel, alsof ik ze moet centrifugeren. Pas als alle emoties eruit geslingerd zijn, kan ik mijn ervaringen loslaten. Het enige andere wat ik kan doen is ze tijdelijk wegdrukken. Dat kost heel veel moeite en energie. Maar ze komen altijd op een bepaald moment in alle hevigheid terug.

Ik zou willen dat ik minder gevoelig was en veel meer in de wereld kon doen en betekenen. Ik ben vroeger veel uitgeweest. Maar ik genoot er nooit van, omdat ik zo stuk zat. Ik kan zo met een vriendin op vakantie, maar ik ben huiverig voor de overspanning die dat voor mij oplevert. Het is jammer. Ik ben nog jong, ik ben nog niet toe aan de geraniums. Ik vraag me af of er veel meer inzit dan ik nu heb. Ik ben op dit moment tevreden met de ruimte die ik heb om mezelf te zijn. En dan blijft er nog steeds heel veel ruimte over voor een ander.

Honderden kilometers van ons vandaan hebben mijn ouders ieder een nieuw leven opgebouwd. Ik heb geen contact meer met hen. Ik moest mezelf losmaken van de voorwaarden die ze aan mij stelden, van de pijn die ze mij bleven doen, om mezelf te kunnen worden. Dat was iets wat ik van hen niet mocht. Het is een bevrijding aan de ene kant, maar aan de andere kant ook een enorm verdrietige eenzaamheid, die ik overigens niet meer weg-eet of drink. Ik heb het met mijn pijnlijkste gevoelens leren uithouden.

Sjef en ik hebben samen geen kinderen. Dat heeft niet zo mogen zijn. Dat is best even slikken geweest. Maar met de kinderen uit zijn eerste huwelijk heb ik een goede band. Ik ben erg blij met hen. Vroeger was heldervoelendheid nog niet bekend. Daar ben ik op vastgelopen. Ik wist niet wat me mankeerde. Er was geen herkenning, geen naam voor, geen etiket. Niemand kon me de handvatten aanreiken die ik nodig had. Nu heeft het een naam en wordt er steeds meer over bekend.

Graag maak ik reclame voor de website: www.heldervoelendheid.nl. Daar kun je herkenning en hulp vinden bij elkaar. Die herkenning is voor mij persoonlijk heel belangrijk geweest. Doordat ik het kon benoemen, kon ik eindelijk leren het te hanteren. Je kunt heldervoelendheid wel vergelijken met een sterk inlevend vermogen. Alleen, je hoeft er niets voor te doen. De indrukken komen voortdurend en ongewild bij je naar binnen. Niet iedereen ervaart heldervoelendheid op dezelfde manier. Het karakter van je heldervoelendheid hangt samen met je persoonlijke aard en ervaringen. Bij mijn man ziet het er bijvoorbeeld heel anders uit. Ook hij weet mensen in een fractie van een seconde te doorgronden, maar dan vanuit zijn eigen perspectief. Omdat Sjef juist heel goed weet wat hij zelf wil, en een doener is, uit zich bij hem de overspanning en overprikkeling in woede of agressie. Die agressie is bij hem niet negatief. Het brengt een dadendrang op gang om iets te doen aan het onrecht dat hij waarneemt. Hij doorziet vaak andere aspecten van de werkelijkheid dan ik, maar dikwijls zijn ze beide waar.

Het is moeilijk om met heldervoelendheid te leven, want je moet hard werken om niet voortdurend mee te gaan in het gevoel van anderen. Maar je kunt ook veel voor anderen betekenen.