Hulp en volharding

<- terug

 

Hulp en volharding

Ik begin pas de laatste tijd een definitie te geven aan dat wat tegelijkertijd mijn kracht en mijn grootste kwetsbaarheid is. Ik heb er nooit uitgebreid met iemand over gesproken. Bij toeval kwam ik op deze site terecht, op zoek naar het onderwerp levensverhalen en zag de uitnodiging tot schrijven. Het is precies wat ik zocht, want dat wil ik nu doen.

Aan mijn kindertijd heb ik geweldige herinneringen. Iedereen speelde graag met mij omdat ik een grote fantasie had en altijd in het Emmeloordse bos op avontuur uit ging. Dat was vlak bij ons huis. Aan de andere kant van het huizenblok stond een school met een groot plein dat verscholen lag achter een brede strook struikgewas. Soms speelden wij bij de lege school in de avond. Dan slopen we over het plein en in de bosjes eromheen en waren we detectives die dieven vingen. Die zagen we ook, bijna ècht, in schaduwen van de struiken en in donkere lokalen. Mijn herinneringen gaan ver en zijn haarscherp, in beeld, in kleur en geur en het gevoel dat ik dan had, bij hele kleine dingen soms. Ik ervaar dat als een rijkdom, waar ik nog steeds uit put.

Ik had drie grote broers en een zusje met wie ik samen op èèn kamer sliep. Dat was erg gezellig. Toen mijn oudste broer uit huis was kregen mijn zusje en ik allebei een eigen kamer. Maar nog een lange tijd bleef ik slepen met een slaapzak, om naast mijn zusje op de grond te gaan liggen.

Daarna werd alles anders. Ik kwam op de middelbare school, een onderwijsfabriek met 2000 leerlingen. Ik had weinig vriendinnetjes meer en verdween als een schuchter persoontje in de menigte.

Toen ik in de pubertijd kwam klapte ik volledig dicht. Ik voelde me vreselijk eenzaam. Ik voelde me als een slak met honderd voelhorentjes die constant uitstonden en introkken. Werd er helemaal gek van. Het leek of ik altijd alles fout deed. Hele dagen sprak ik niet, zat op een picknicktafel in het bos, of luisterde naar Pink Floyd en Debussy. Ik schreef dagboek en dat doe ik nog steeds, bijna dertig jaar nu. Alleen met een vriendin, een buurmeisje, fylosofeerde ik over het leven. Soms zei ik wat op het schoolplein of elders en dan vonden ze dat ik een rare was. Dan zeiden ze niks en keken mekaar aan met veelzeggende blik. Rèken maar dat ik dat zag.... Maar de buurvrouw vond me soms erg wijs en de dominee vond het leuk om met me in discussie te gaan bij cathegesatie. Daar bleef het dan bij.

Bij ons thuis was het de gewoonte dat je op je achttiende uit huis ging. Na de HAVO ging ik al een jaar op en neer naar Zwolle en volgde de lerarenopleiding handvaardigheid/tekenen, en toen eindelijk mocht ik òòk. Natuurlijk wilde ik uit huis. Ik denk niet dat ze me tegen hadden kunnen houden. Ik wilde de wijde wereld in, wat die ook zou brengen...en dat was niet mis.

Mijn eerste kamertje was middenin het centrum van Zwolle, een oud pand in een klein straatje. Het was een klein, hoog kamertje waar misschien drie keer per jaar iemand anders kwam dan ik. Op de opleiding had ik èèn vriend. Daar kwam ik best vaak. De relatie was platonisch, en ik was altijd degene die hèm opzocht… Hij was de enige die mij accepteerde zoals ik was. Een keer vertelde hij mij wat de anderen van mij vonden. “Ze begrijpen je niet. Je bent altijd een stille zwijger en erg op de achtergrond, en als je eens wat zegt dan is dat heel plotseling en expressief. Jaap is een rustige jongen. Dat begrijpen ze. Joke is expressief, dat begrijpen ze ook, maar met jou gaat het alle kanten op….”

Ik heb bijna altijd een vriend of vriendin gehad. Het was er altijd maar èèn, waar ik mee optrok. Een meisje was er eens, met wie ik soms op de bonnefooi ging liften, en allerlei gekke dingen deed. We trokken een tijd veel en intensief met elkaar op. Ook zij had een mening over mij en die kon zij vol vuur verkondigen. Eens beweerde ze dat ik vast wel schizofreen moest zijn, en dat werd alleen maar erger als je ouder werd, zei ze. Ik moest er dus maar gauw wat aan doen. Ik wachtte altijd tot ze ophield met haar woordenstroom, hield mijn adem in en zei niks. Ze heeft nooit geweten hoe vreselijk wanhopig ik van haar preken werd. Ik heb haar heel veel later een keer teruggezien. Ze had mij kunnen opsporen want ze was er erg verlangend naar mij terug te zien. We hebben alles besproken wat nog gezegd moest worden. Ik vond haar geforceerd en verstandelijk, en zag bij haar een grote heimwee naar het verleden dat onherroepelijk voorbij was. Heimwee naar het verleden! Dat ken ik niet! Alles is er toch op elk moment en elke ervaring bewaar je in je hart voor eeuwig. Ik denk dat zulke mensen de weg naar hun hart kwijt zijn. Wellicht is onze vriendschap èèn van de weinige heldere lichtpunten in haar leven geweest. Ooit, in een andere tijd… Ik was opgelucht toen ik weer thuis was. Ze is niet teruggekomen.

Een ander meende mij ook te kennen. Met die jongen heb ik nog jarenlang geschreven. Leuke brieven, mooie brieven maar soms weer iets waarvan ik dacht: wat zeg je me nou?! Hij zei herhaaldelijk dat ik vast en zeker een lichte vorm van autisme had.

Mensen beweren van alles. Ik wist wel dat ze ernaast zaten en dat ik niet te vangen was onder èèn van hun etiketten. Maar er was altijd angst en onzekerheid, als ik tussen de mensen was. Ik was van glas, doorzichtig en kwetsbaar, en alles kwam binnen.

Er was ook een heel ander gevoel, een diep, sterk geworteld vertrouwen dat ik ooit uit dit moeras zou komen en dat ik altijd van het leven bleef houden met alles erop en eraan. Ik voelde me gesteund door stilte. In de herfst ging ik jarenlang steeds weer naar een klooster, om van sobere schoonheid te genieten en tot rust te komen. In de zomer was ik in een kreatief kamp. Het bos was prachtig; het tapijt van dennenaalden dat alle geluiden dempt, het vennetje met het zandstrand, waar ik in de stille intimiteit van de nacht op mijn dwarsfluit speelde… en er waren mensen die gewoon genoten van alle kreativiteit en van elkaar. Elke avond was er een groot vuur met vele verhalen waar ik geboeid naar luisterde en liedjes met de meest vreemdsoortige instrumenten erbij. Voor mij was het een paradijsje, dat twee of drie weken per jaar duurde….

Mijn dagboek bleef mijn trouwste maat.

Met de opleiding in Zwolle ben ik gestopt. Ik verhuisde van hot naar haar. Ik woonde een jaar in Arnhem. Dat was echt een vergissing en dat jaar had ik geen enkele vriend of vriendin. Het jaar erop ben ik naar Leeuwarden gegaan. Ik was vastbesloten dat mijn plek onder de mensen was, en dat ik door zou gaan.

De opleiding heette “Akademie Voor Expressie en Kommunikatie”. Het was nogal gewaagd en een uitdaging die eigenlijk te groot voor mij was. Of niet… Ik heb er toch veel opgestoken en er niks verkeerds aan over gehouden. Er was daar een jongen die mij een dappere angsthaas noemde, dat ben ik nooit vergeten. En er was een docent met een grote bos grijs haar en een joviale blik, die een ongewone visie had. De anderen snapten hem vaak niet. Dan keek hij mij aan, zwijgend en als vanzelfsprekend verwachtte hij dan dat ik het voor hem zou vertalen, want ik begreep het immers altijd…. . Het was een apart wereldje en wat ik daar allemaal gezien en gehoord heb daar begin ik maar niet over. Het was mij vaak te veel. Dan staarde ik voor me uit en was ik even helemaal afwezig, tot ik weer bijgekomen was, als een knipperlicht dat steeds aan en uit ging. Dat is voor iedereen een raadsel gebleven en ze zullen het nog steeds niet weten, want ik zie al die mensen van toen nooit meer. Ik leek zoals altijd een grijze muis, die af en toe echter zeer verrassend uit de hoek kon komen…

In diezelfde tijd had ik mijn eerste echte vriendje, getroffen in het kreatief kamp die zomer. Het was een jonge schrijver en hij had een grote fantasie en soms wilde ideeën. Hij schreef vaak over de dood. Ben eens mee geweest naar de schrijversclub van Simon Vinkenoog, heel spannend vond ik dat toen. De relatie werd niets, we konden elkaar de sterren van de hemel schrijven, maar voor de rest stokte het van alle kanten. Ik kreeg een brief dat hij het uitmaakte en dat hij liftend naar Turkije ging om daar een paar maanden te reizen. Het was eind december.

Ik was met een stel mensen voor een opdracht in Harlingen toen iemand uit mijn groep in de krant las en zei: “Wiebe Dekker: heet jouw vriendje niet zo?” Het was vers van de pers. Het was een kort berichtje in de zijlijn. Hij was vermoord gevonden aan de kant van de weg. Op hetzelfde moment dat ik het las stond zijn broer bij mij voor de deur…..

Zijn verhaal is bizar. Nooit zou ik te weten komen of het ooit wat had kunnen worden - later- als vriend. Met hem bespreken wat het nou was tussen ons. Of hem opzoeken na twintig jaar als alles anders zou zijn. Zijn fantasie was zo snel en zo groot, dat hij de realiteit uit het oog verloor. Een naïeve enthousiasteling. Dat werd zijn dood. Wellicht moest het zo zijn…

Er kwam een periode van verwerken en in die tijd had ik een droom. Ik zag een oude, sterke man in een herderskleed en hij had een houten staf in zijn hand. Die staf hield hij voor zich uit en langzaam veranderde het in een zwaard. “Ik mòet wel”, zei hij rustig. Het was een plechtig moment. Ik kreeg er kippenvel van.

Ik heb de school niet afgemaakt. Ik was er echt niet aan toe om hele groepen te gaan leiden! Niemand keek raar op toen ik kapte. En ik wist waar ik heen wilde. Want in hetzelfde kreatief kamp in een ander jaar had ik ook een vriendje gehad die in Utrecht woonde. Het was een stad naar mijn hart, een mooie overzichtelijke kern met allerlei hofjes en veel groen. Ik wilde in Utrecht wonen, al kende ik er nog niemand.

Al vrij snel kreeg ik een leuk klein kamertje in het centrum, vlak bij het singelpark. Er woonden nog vier anderen. Ik had vrijwilligerswerk gevonden in een wereldwinkel waar ik al mijn tijd in stopte. Op een gegeven moment werd ik de hulp van een oudere jongen die de muziekafdeling beheerde. Hij had mij min of meer onder zijn hoede genomen en ik ging waar hij ging. Dat was natuurlijk geen gezonde situatie en al snel werd er in gegrepen, want op nieuwjaarsochtend kwam ik onder de auto en brak een arm en een been. Ik woonde er toen nog maar drie maanden. Dat was God of het lot. Hoe je het maar wilt noemen.

Alles werd anders. Drie weken lang lag ik op mijn rug en werd geconfronteerd met de doodsangst van het moment. Koplampen in de ochtendschemer, de lege stad en de klap die sneller kwam dan ik het besefte. Dagen later, het was laat in de avond, nog altijd liggend op mijn rug staarde ik naar het plafond. Iedereen sliep bijna. Toen kwam het helemaal terug. Het was of het werkelijk gebeurde.Ik hyperventileerde, rolde bijna uit mijn bed en meteen kwam de zuster eraan. De hele zaal was ineens klaarwakker en snapte niet wat er aan de hand was.

Het ziekenhuis, het eindeloze liggen en geen kant op kunnen, het heeft mij veel geleerd. Nog verschillende keren moest ik angst meemaken, maar dan zonder de beelden van het ongeluk, het was dan meer het gevoel dat de hele wereld over mij heen viel.De angst was op zo`n moment overweldigend. Maar iets zei me dat ik tòch nergens heen kon en dat ik me maar gewoon over moest geven. Dat deed ik en de warme ontspanning die daarop volgde is onbeschrijflijk. Angst lijkt een klauw te zijn waar je helemaal in zal verdwijnen. Maar je verdwijnt niet zomaar! Of het is of je bovenaan een klif staat en in het nauw gedreven bent. Laat je vallen en je wordt opgevangen in de altijd aanwezige armen van je eigen zijn…

Toen kwam de volgende stap.

Na een maand kwam ik terug in huis. Mijn huisgenoten hadden slingers opgehangen, vreselijk! Struikelend op de trap hees ik me huilend van pijn naar boven.

Geen feestje dus. Nog lang niet. Het heeft twee jaar geduurd voor mijn been genezen was, en ik ben drie keer geopereerd. Ondertussen hadden mijn huisgenoten allerlei theorieën over mijn trage genezing en werd ik langzaam maar zeker een paria. Dat is ze te vergeven, het is ook niet niks om zolang een patient in huis te hebben die je nauwelijks kent terwijl je jong bent en niets weet van die ellende….

Ik was dolblij toen ik een eigen appartementje kreeg, al was het dan in een rotwijk. Ik maakte er een paleisje van en nam een poes uit het asiel.

Maar het was nog niet klaar. De zwaarste tijd moest nog komen. Er was ergens een zaak waar een jongen werkte. Ik werd verliefd op die jongen, maar hij had een geheim. Een duister geheim waar hij nooit iets over zei. Hij had ook mooie groene ogen en gevoel voor humor, al vond ik hem soms nogal hard in de omgang met anderen.

Ik werd aangetrokken door zijn dromerige blik, maar ook door het geheim. Ik wilde het weten maar vroeg er nooit naar. En hij trok mij naar zich toe met zijn mooie ogen en stootte mij weer heftig van zich af, als een ongelofelijke zak.. Ik besefte zelf niet hoe vasthoudend ik was in mijn grenzeloze nieuwsgierigheid en verliefd als ik was. Het werd een strijd vol dubbele betekenissen en tjokvol negativiteit. In die strijd hebben we elkaar nauwelijks leren kennen in gewone dingen van alledag. Het werd een strijd met onze eigen schaduwkant, ik met de mijne, hij met de zijne. Wij zijn voor elkaar een katalisator geweest, kort, heftig en noodzakelijk.

Op een dag was ik zwanger. Ik zou het laten aborteren, ik moest wel… Hij deed het af als een dingetje wat gebeuren moest en toen werd ik heel erg boos. Misschien wel voor de allereerste keer van mijn leven werd ik echt boos. Ik zei hem dat dit een beginnend mensenleven was. Een mens! Onze verantwoordelijkheid! Hij was ineens doodstil.

Een jaar lang heb ik strijd gestreden, alleen in mijn eigen huisje, met verder niemand. Hele dagen lang, week in week uit. Lezen, schrijven, wandelen. Er was gelukkig èèn vriendin die mij steunde, iemand die er voor mij was. Wat dat betreft ben ik bijna altijd een gelukkig mens geweest! Het was een strijd met mijn eigen schaduwkant. Er was een boek dat ik in dat jaar als een bijbel bij me had. “De ontembare vrouw” heette het. Het heeft zijn dienst gedaan, ik heb er veel van geleerd en ik heb het later weggegeven.

Ik heb een belofte gedaan, aan mijzelf en het nooit geboren kind. Als ik dit mensenleven weg had laten halen, dan zou ik van nu af aan zoveel mogelijk van mijn talenten optimaal inzetten voor de rest van mijn leven. Dat heb ik ook gedaan en doe ik nog steeds.

Het was een zonnige nazomerdag in september. Ik had gedroomd van open serredeuren op een heuvel. Daar stond ik dan, met een wijds uitzicht rondom en ik zag eindeloze weilanden tot aan de horizon met een strakblauwe hemel erboven.

“Nu ben ik klaar”, wist ik. ”Vandaag begint een nieuw leven.” En ik trok mijn leukste kleren aan en ging de stad in.

Die dag ontmoette ik mijn allerliefste.

Het was op de vismarkt dat ik in de verte al zag dat er iets gebeurde, kleurige kleding, dans en muziek. Ik ging erheen en zag hem meteen, een draak die zich tussen het publiek bewoog. Een groen met gele draak en een grote rode bek die open en dicht ging op aandoenlijke wijze. De dansers waren Morris, engelse volksdans uit de keltische tijd, maar ik keek vooral naar hem, hij was “the beast”. Hij daagde het publiek uit en iedereen lachte. Toen hij zich weer verkleed had, herkende ik hem direkt, al had ik zijn gezicht daarvoor nog niet gezien en droeg hij nu zijn normale kloffie. Ik ging naar hem toe en hij nodigde me uit om mee te gaan eten met de rest en dat deed ik. Het was vertrouwder dan ooit..

Hij was houtdraaier en had net een mooie antieke bedrijfsvlet gekocht. Ik leerde hem kennen en ging vaak met hem mee varen. Het was of ik na al die jaren weer 12 jaar kon zijn, en we elkaar altijd al gekend hadden. Bij hem werd ik rustig en vond ik mijn kracht. Voor de mensen die mij van daarvoor kenden werd ik een ander mens. Ik ging weer tekenen en mijn tekeningen gingen in snelle tijd enorm in techniek vooruit. Ik stapte ermee naar buiten en had mijn eerste expositie. Ik verkocht bijna de helft van mijn werk. Hij stimuleerde mij in alles. Samen maakten we dagenlange tochten in onze vlet, en ik werkte even hard mee met het teren en smeren en ontpopte mij als handige timmervrouw.We hebben prachtige avonturen beleefd. Ik sliep als een roos. Na vele jaren van slapeloosheid sliep ik.

We gingen samenwonen in een eeuwenoude werfkelder aan het water, midden in de stad. Die kelder was van hem. Voor de deur stond, en staat nog steeds een honderdjarige kastanje en daaronder liggen onze boten.Het is een werfkelder van 750 jaar oud. Er is veel geschiedenis onder deze kloostermoppen. Dat heb ik nooit storend gevonden, ik ervaar meestal de goeie sfeer ervan en achterin is het helemaal stil… Mijn vriend was lekker nuchter en was voor mij als een dukdalf in de haven. Hij was recht door zee, een goudeerlijk gevoelsmens vol leuke kreatieve ideeën en als hij iets deed, dan ging hij er helemaal voor. Zijn handen waren groot en altijd vuil. Net zoals de mijne, vanaf toen. Ik werd steeds handiger.

We zijn samen een rondvaartbedrijfje gestart, en oogsten veel sympathie, zoals wij dat deden.

Zoals ik dit vertel lijkt het een sprookje te worden, maar dat mocht niet zo zijn. Mijn vriend had suikerziekte en hij dronk meer dan goed voor hem was. Het besluit om de strijd aan te gaan groeide gelijk met zijn liefde voor mij.

Hij kreeg geen medewerking om het afkicken op zijn manier te mogen doen, gewoon thuis, bij mij. Dat was een enorme domper. Uiteindelijk kregen we het bij de huisarts wel voor elkaar. Hij kreeg zijn medicijn. Maar hij was al veel van zijn energie kwijtgeraakt. Hij hield het dan ook niet vol. En we hadden niemand die ons hielp, behalve zijn lieve zus die soms kwam.

Pal daarna kreeg hij last van zijn maag. Hij kon niks binnenhouden, zelfs geen water. Zijn suiker steeg schrikbarend en als gevolg daarvan kon hij niets verdragen. Ook geen water. Dus steeg en steeg zijn suiker maar….

Hadden we het geweten. Hadden we meteen om een infuus gevraagd. We wisten het niet. Wie wel? Dingen gaan zoals ze gaan.

Het was het begin van het einde. Hij raakte ernstig verzwakt. Hij kreeg een levensbedreigende longontsteking en kwam ternauwernood weer op deze aardbol terug. Hij bedankte me, dat ik zijn leven gered had. Ik had al die dagen zijn handen vastgehouden zodat ze hem niet vast hoefden te binden. Ik had hem gezien in zijn hallucinaties, op het randje van de dood, en hem zien vechten met al die slangen aan zijn lijf… Hij zou het proberen, hij wilde zo graag. Hij zou vechten en nog eens vechten. Zo hing hij aan het leven….. “De beloning dat ben jij..” zei hij.

Hij is nooit meer de oude geworden. Zijn conditie was nul en zakte steeds verder in. Hij sliep niet meer dan drie hooguit vier uur per nacht.

In het laatste jaar beloofden we elkaar trouw, voor altijd.

Twee jaar lang heeft hij gevochten tot hij niet meer kon. Kreeg op het laatst diverse epileptische aanvallen. Nauwelijks nog kracht om te lopen. Toen heeft hij het hele universum bij elkaar geschreeuwd. Hij kon echt niet meer en smeekte om hulp. Aan wie?? Met een voet stond hij al in de andere wereld en zijn blik ging waar ik niet meer kon kijken, maar waar ik slechts vermoedens over had. Op de ochtend die volgde heeft hij mij nog èèn keer vastgehouden. “Ga maar,” was het laatste wat hij zei. Ik deed zonder aarzelen wat hij zei en ging naar mijn werk om in recordtijd weer terug te zijn. Hij lag op de bank en het was alsof hij eindelijk sliep, opgekruld en met de sprei vast in zijn knuist geklemd. Hij was gegaan.

Het was een heel bijzondere begravenis. Het was of de hemel openging en alles was zoals het moest zijn. Opnieuw was de oude kastanje een stille getuige, net als bij ons trouwen. Het morristeam danste, zoals ze ook op onze trouwdag dansten. Vrienden droegen zijn grofhouten kist naar de boot waarmee hij naar het kerkhof werd gebracht. Een van ons speelde doedelzak. Ik heb mijn lief zelf weggevaren in onze eigen schuit, omringd door alleen maar bloemen. Zelfs in het water dreven zonnebloemen, terwijl ik terugvoer dreven ze overal om me heen en ik voelde me niet alleen.

De jaren daarna zijn zwaar geweest, er was veel achterstallig onderhoud, en er waren mensen die dingen wilden uit eigenbelang en ten koste van mij. Het heeft bijna vier jaar geduurd voor het ergste klaar was. Maar ik voelde mij in alles gesteund door mijn man. Ik voelde hem altijd bij me, vooral in de nacht, en in de ochtend tussen waken en slapen. Dan was er opeens de oplossing voor een probleem waar ik zo mee worstelde. Zomaar. Kadootje van mijn lief.

Het is nu vier jaar geleden dat hij ging, ik ben nu een-en-veertig. Ik red het nu prima en zit goed in mijn vel. Ik ben dankbaar voor alles wat ik gekregen heb en alle hulp die ik heb gehad. Daardoor sta ik waar ik sta, en ben ik wie ik ben. Soms ben ik wel eens heel moe, als het weer flink tegenzit, maar dat gaat altijd weer over. Ik weet dat mijn lief niet meer altijd bij me is en daar ook zijn leven heeft, en de reizen maakt die hij wil maken. Ooit komen we weer samen. En af en toe kijkt hij nog steeds even over mijn schouder.

Mijn dagboek heb ik aan hem gericht, en dat zal ik blijven doen. Ik zet het verhaal voort. Mensen houden van de plek waar ik woon en ik deel mijn enthousiasme. Vaste klanten komen steeds weer terug en houden van onze oude antieke ploffer, die zo rustig doorvaart in deze snelle wereld, omdat ik nog altijd de tochtjes doe.

Ik zal hier waarschijnlijk heel lang blijven en nog veel mensen ontmoeten. Ik zal nog vele gesprekken voeren en op onverwachte momenten de mooiste dingen meemaken. Er is ook nog heel veel te doen en het zal lang niet altijd makkelijk zijn. Maar ik heb er vertrouwen in. Het geluk keert immers altijd terug, steeds ronder, voller, en krachtiger…

Lowieke